Wilde en verwilderde planten

In het kader van Bosflora.nl wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen wilde en verwilderde populaties. Veel bosplanten worden of werden gekweekt als sierplant of als artsenijgewas en verwilderen eenvoudig uit weggeworpen tuinafval en vanuit tuinen en parken die aan bossen grenzen. In het verleden is er dikwijls onderscheidt gemaakt tussen wilde en verwilderde planten bij het samenstellen van flora-atlassen en rode lijsten (Mennema et al. 1980, 1985; Van der Meijden et al. 2000; Cortenraad & Mulder 1989, 1998) en in allerlei publicaties over afzonderlijke soorten en groeiplaatsen.

Om onderscheid te kunnen maken tussen “wilde populaties” en “verwilderde populaties” is een nauwkeurige omschrijving van deze begrippen nodig. In dit project wordt de volgende definitie gehanteerd: Wilde populaties hebben zich in een gebied gevestigd zonder dat daarbij menselijk transport, al dan niet opzettelijk, van zaden, knollen of ander plantmateriaal een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Wilde populaties hebben het gebied waarin zij groeien dus bereikt door middel van natuurlijke verbreiding (via wind, water, dieren etc.) en stammen af van bronpopulaties die zich ook weer via natuurlijke verbreiding gevestigd hebben in hun leefgebied. Andere menselijke invloeden dan het transport van plantmateriaal, zoals het creëren van geschikt habitat, beïnvloeden weliswaar de kans op vestiging van een populatie, maar bepalen volgens deze omschrijving niet of een populatie als wild moet worden beschouwd. Verwilderde populaties zijn in het kader van dit project niet-wilde populaties die hun levenscyclus voltooien en zich duurzaam handhaven in een gebied zonder specifiek op de populatie gerichte hulp van de mens, ook wel “tuinieren” genoemd. Van wilde populaties onderscheiden zij zich doordat menselijk transport van plantmateriaal een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij hun eigen vestiging of bij die van hun bronpopulaties.

Voor individuele planten wordt in dit project een gerelateerde definitie gehanteerd: Individuele planten zijn wilde planten indien menselijk transport van plantmateriaal geen doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het bereiken van hun groeiplaats. Voor zowel deze planten zelf als voor hun voorouders geldt dus dat zij hun groeiplaats bereikt hebben door middel van natuurlijke verbreiding. Bij een wilde populatie worden door de mens aangeplante en uitgezaaide individuen of individuen die zijn opgeslagen uit weggeworpen tuinafval niet als wilde planten beschouwd en daarmee ook niet als onderdeel van de wilde populatie. Hun nakomelingen zijn alleen wilde planten, indien de aangeplante of uitgezaaide ouderplanten zelf nakomelingen waren van wilde planten die in het betreffende gebied voorkwamen.

Van alle relevante populaties is op basis van de verzamelde gegevens een inschatting gemaakt of zij volgens de bovenstaande omschrijving als een wilde populatie moeten worden beschouwd. Indien de planten zelf afwijkende kenmerken vertonen ten opzichte van de wilde vorm, dan is in alle gevallen aangenomen dat het niet om wilde populaties gaat. Hier zijn alleen bloemkleur en morfologische kenmerken gebruikt, maar voor toekomstig onderzoek zouden hiervoor ook DNA-kenmerken kunnen worden gebruikt. Ook indien er zeer duidelijke aanwijzingen waren dat het om aangeplante, uitgezaaide of uit tuinafval opgeslagen planten ging, is er altijd aangenomen dat het niet om wilde planten ging. Voorbeelden van zulke aanwijzingen zijn (1) bij aanplant graafsporen en een sterk afwijkende structuur en soortensamenstelling van de vegetatie rondom de planten, (2) bij opslag uit tuinafval het op een zeer beperkte oppervlakte voorkomen samen met weggeworpen plantenmateriaal en cultivars, uitheemse en andere plantensoorten waarvan wel zeker is dat zij zijn opgeslagen uit het afval, (3) uitdrukkelijke vermeldingen dat het om aangeplante, uitgezaaide, adventieve of uit tuinafval opgeslagen planten ging in de literatuur of mondeling door mensen die het terrein al langere tijd kennen. Bij vermeldingen dat het om verwilderde of ingeburgerde planten ging is overigens niet zonder meer aangenomen dat er geen sprake was van wilde planten.

Indien de planten geen afwijkende kenmerken vertonen ten opzichte van de wilde vorm en er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat er sprake is van aanplanten, uitzaaien of tuinafval, dan zijn steeds zoveel mogelijk relevante informatiebronnen in combinatie gebruikt om na te gaan of het een wilde populatie betrof. Hierna wordt besproken welke andere typen informatie aanwijzingen leveren dat het om wilde populaties gaat of niet.


Indicatoren voor verwildering

Op veel plaatsen in de bossen groeien tegenwoordig soorten waarvan wel zeker is dat het verwilderde planten betreft. Het gaat daarbij om uitheemse soorten en cultivars die zijn opgeslagen uit tuinafval, of die zijn aangeplant of al dan niet bewust uitgezaaid in een gebied. Veel aangetroffen voorbeelden zijn Bonte gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon subsp. argetatum), Sneeuwklokje (Galanthus), “Hyacint” (Hyacinthoides), Narcis (Narcissus) en allerlei cultivars van Wilde akelei (Aquilegia vulgaris). In bossen groeien zij vooral in de omgeving van tuinen en parken, maar in mindere mate komen zij ook wel voor op grote afstand van de bebouwde kom. In natuurgebieden worden daarnaast door sommige floristen wel soorten aangeplant of uitgezaaid die zelden of nooit worden gekweekt in tuinen en parken. Vaak betreft het soorten die vanuit vegetatiekundig oogpunt interessant zijn, bijvoorbeeld omdat zij elders in Nederland of in aangrenzend België en Duitsland karakteristiek zijn voor de bijzondere vegetatietypen waarin zij worden aangeplant.

Indien het zeker of zeer aannemelijk is dat ergens verwilderde planten groeien, dan zijn deze als indicatoren te gebruiken voor verwildering van onderzoekssoorten in de nabijheid. Naarmate er meer van zulke indicatoren bijeen staan wordt het in het algemeen aannemelijker dat ook de aanwezige onderzoekssoorten door de mens zijn verbreid. Met nadruk moet echter worden gezegd dat voorzichtigheid geboden is bij het trekken van conclusies omtrend de status van populaties van onderzoeksoorten op basis van verwilderingsindicatoren. Het is natuurlijk mogelijk de onderzoekssoorten al als wilde plant op de locatie voorkwamen voordat de verwilderingsindicatoren daar werden uitgezet. De nabije aanwezigheid van verwilderingsindicatoren is niet meer dan een indicatie dat de onderzoekssoort verwilderd voorkomen, alleen in combinatie met andere aanwijzingen kan geconcludeerd worden dat het daadwerkelijk zo is.

Zo groeien op oude buitenplaatsen en in kloosterbossen dikwijls bolgewassen en andere voorjaarsplanten met opvallend gekleurde bloemen die in het verleden zijn aangeplant door de eigenaar. Waar zulke soorten groeien wordt er gesproken van een stinsenmilieu, wat verwijst naar de stinsen (stenen landhuizen) in Friesland (Van der Ploeg 1988). Het voorkomen van onderzoekssoorten in stinsenmilieus is echter nog geen bewijs dat het niet om wilde planten gaat. Dat oude buitenplaatsen een belangrijke functie kunnen vervullen bij de instandhouding van bosplanten laat de aanwezigheid van Boszegge (Carex sylvatica) in het rivierengebied goed zien. Deze aan oud bos gebonden soort is hier grotendeels beperkt tot buitenplaatsen (Jansen & de Kleuver 1965), maar dit is het gevolg van het feit dat daarbuiten geen geschikt leefmilieu meer aanwezig is. Dat deze soort is uitgezet is niet aannemelijk (E.J. Weeda in Mennema et al. 1985), omdat zij in het verleden niet werd gekweekt als sierplant of artsenijgewas. Dit voorbeeld laat zien dat het voorkomen in stinsenmilieus op zichzelf nog niet betekent dat het om aangeplante populaties gaat.


Verbreiding en afstand

Veel planten beschikken over vruchten, zaden of andere diasporen met aanpassingen aan de verbreiding over lange afstand door middel van wind, water, vogels of andere dieren, terwijl andere soorten daarvoor geen aanpassingen hebben. Zo kunnen bessen door vogels worden gegeten en vervolgens over lange afstand worden verbreid. Voor besdragende planten geldt daarom dat er bij nieuw gevestigde populaties sprake kan zijn van wilde planten die nakomelingen zijn van bronpopulaties die zich op lange afstand bevinden. Hetzelfde geldt voor planten met sporen of zaden die zeer klein zijn, zoals varens en orchideeën. Deze diasporen kunnen over zeer lange afstand door de wind verbreid worden. Toch geldt zelfs voor deze soorten dat de meeste zaden en sporen in de directe nabijheid van de ouderplanten blijven, waardoor voor nieuw gevestigde populaties geldt dat de kans dat het wilde planten betreft groter is naarmate de afstand tot wilde bronpopulaties kleiner is.

Bij soorten zonder zulke aanpassingen zal natuurlijke verbreiding over lange afstand voornamelijk plaatsvinden doordat plantmateriaal wordt meegevoerd met stromend water. Waar zich recentelijk een populatie in of langs de overstromingsvlakte van beken en rivieren heeft gevestigd, kan er sprake zijn van wilde planten die zich gevestigd hebben na transport van zaden, wortels of ander plantmateriaal door het water vanuit bronpopulaties die zich stroomopwaarts bevinden. Een mooi voorbeeld van een verspreidingspatroon dat door stromend water tot stand is gekomen is te zien bij Gele monnikskap (Aconitum vulparia). Doordat deze soort zich via de Geul vanuit België door Zuid-Limburg heeft verbreid, is deze soort als wilde plant vrijwel beperkt tot groeiplaatsen in de directe nabijheid van deze rivier (De Wever 1912-1923; C.L. Plate in Mennema et al. 1980; Weeda et al. 1985). Andere vormen van natuurlijke verbreiding over lange afstand zullen waarschijnlijk zeer weinig voorkomen bij soorten die daarvoor geen speciale aanpassingen hebben. Toch zouden zaden, wortels, bovengrondse plantendelen of andere diasporen zich incidenteel wel eens over lange afstand kunnen verbreiden, doordat zij bijvoorbeeld met modder blijven kleven aan de poten van vogels of zoogdieren en vervolgens worden getransporteerd, of doordat zij door de lucht worden geblazen bij extreem harde wind. In de vele duizenden jaren sinds de laatste ijstijd zouden zulke incidenten een reële bijdrage kunnen hebben geleverd aan de remigratie van soorten naar het noorden. Echter, de lage frequentie waarin zij voor zullen komen maakt dat in de moderne tijd de kans dat een populatie zich ergens op deze wijze heeft gevestigd vele malen kleiner is dan de kans dat er dankzij menselijk transport vestiging heeft plaatsgevonden.


Zaadvoorraad in de bodem

Diverse soorten produceren zaden die gedurende lange tijd kunnen overleven in de bosbodem. Meestal kunnen zulke zaden ca. vijftig jaar overleven in de bodem, terwijl van de zaden van bijvoorbeeld Gewoon vingerhoedskruid (Digitalis purpurea) en Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum) bekend is dat zij meer dan honderd jaar kiemkrachtig blijven (Hill & Stevens 1981; Brown & Warr 1992). Doordat de kieming van deze zaden afhankelijk is van het lichtklimaat en/of de temperatuur (Brown & Oosterhuis 1981), komen zij in het algemeen pas tot ontwikkeling als de ecologische omstandigheden gunstig zijn om uit te groeien tot een volwassen plant. Voorbeelden van zulke soorten zijn grasachtige planten als Ruwe dravik (Bromposis ramosa subsp. ramosa) en diverse soorten van het geslacht Zegge (Carex), daarnaast ook kruidachtige planten als Amandelwolfsmelk (Euphorbia amygdaloides), Wilde akelei (Aquilegia vulgaris) en de soorten van het geslacht Hertshooi (Hypericum). Het betreft in het algemeen soorten die niet kunnen overleven bij sterke overschaduwing door bomen of andere planten (Brown & Oosterhuis 1981). Als het kronendak van het bos gesloten is, dan zijn zulke soorten op hun groeiplaats alleen aanwezig als zaden in de bodem (Ash & Barkham 1976; Rackham 1980; Barkham 1992). Op het moment dat het kronendak geopend wordt, bijvoorbeeld door het kappen of omwaaien van bomen, dan leidt dit tot een hogere lichtintensiteit en temperatuur op de bosbodem en vervolgens tot het ontwikkelen van de zaden tot een nieuwe populatie planten bovengronds. Waar zich recentelijk planten hebben gevestigd van deze soorten, geldt dus dat hier sprake kan zijn van wilde planten die gekiemd zijn uit een zaadvoorraad die lange tijd geleden is aangelegd. Zeker indien bekend of aannemelijk is dat de soort in het verleden op de groeiplaats of in de nabijheid ook al voorkwam als wilde plant, valt bij deze soorten te verwachten dat het om een wilde populatie gaat, die de periode van bovengrondse afwezigheid heeft overbrugt middels langlevende zaden in de bodem.


Karakteristiek leefmilieu

Voor veel bosplanten geldt dat zij zeldzaam zijn omdat zij in hun voorkomen beperkt zijn tot leefmilieus die in Nederland weinig aanwezig zijn. Een duidelijk voorbeeld zijn de orchideeën die zijn opgenomen in de soortenlijst. Zij zijn nauw gebonden aan kalkrijke bodems, waardoor hun aanwezigheid in Nederland geheel of nagenoeg geheel beperkt is tot de Zuid-Limburgse krijtverweringsgronden. Andere soorten lijken minder strenge eisen aan hun leefmilieu te stellen, omdat zij zich tegenwoordig vrijwel overal kunnen handhaven waar zij worden uitgezet in loofbossen op een geschikte bodem. Voorbeelden zijn Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis), Daslook (Allium ursinum), Vingerhelmbloem (Corydalis solida), Kleine maagdenpalm (Vinca minor), Gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis) en Gewoon vingerhoedskruid (Digitalis purpurea). Terwijl deze soorten in hun voorkomen tegenwoordig dus duidelijk beperkt worden door hun onvermogen om zich te verbreiden over lange afstand, lijkt hun voorkomen in het verleden ook sterk te zijn beperkt door een gebrek aan geschikt leefmilieu. Voor populaties die op plaatsen worden aangetroffen waar de ecologische omstandigheden en vegetatie sterk afwijken van wat karakteristiek is voor de betreffende soort, blijkt in het algemeen te gelden dat daar vroeger geen geschikt leefmilieu aanwezig is geweest, zelfs als zo’n populatie zich daar tegenwoordig wel duurzaam kan handhaven. Een voor de soort ongewoon leefmilieu en vegetatietype op de groeiplaats is daarom een aanwijzing dat het een populatie betreft die zich recentelijk heeft gevestigd. Tenzij natuurlijke verbreiding over lange afstand of vanuit nabijgelegen wilde populaties een reële mogelijkheid is, is het dan aannemelijk dat het geen wilde populatie betreft. In de praktijk blijken er in zulke gevallen meestal ook andere aanwijzingen te zijn dat er sprake is van verwildering. Dikwijls groeien daar dan bijvoorbeeld ook cultivars, uitheemse soorten en andere soorten waarvan wel zeker is dat het niet om wilde planten gaat.


Oude populaties

Van veel populaties is bekend dat zij al decennia tot zelfs meer dan honderd jaar aanwezig zijn geweest op de groeiplaats. Historische gegevens over de aanwezigheid van populaties zijn allereerst in de oude literatuur te vinden. Daarnaast levert ook de informatie op etiketten van oude herbariumexemplaren belangrijke historische gegevens op. Indien er geen directe gegevens beschikbaar zijn over het bestaan van een populatie in het verleden, dan zijn er dikwijls in het veld wel indicaties dat het een oude groeiplaats betreft. Zo kan bijvoorbeeld aan de groeivorm van houtige planten worden afgeleid dat het om voormalige hakhoutstobben of knotbomen gaat die een aanzienlijke leeftijd hebben bereikt. Van Gele kornoelje (Cornus mas) is een zeer omvangrijke kloon bekend waaraan valt af te lezen dat het hier moet gaan om een populatie met een leeftijd van minstens honderd jaar. Bij kruidachtige planten kan de ruimtelijke verdeling van individuen een indicatie geven of het om een oude populatie gaat. Als soorten, die zich normaal gesproken alleen over een korte afstand kunnen verbreiden, toch zeer verspreid in een bos voorkomen en de ruimtelijke verdeling van de individuele planten nauw gerelateerd is aan de variatie in ecologische variabelen als bodemfactoren en lichtklimaat, dan is dit een sterke aanwijzing dat het om een oude populatie gaat. Voor populaties die al zeer lang uit de literatuur bekend zijn en die uit voldoende individuen bestaan om dit te kunnen beoordelen, geldt vrijwel altijd dat zij op die manier verspreid in het bos voorkomen. Van populaties waarvan bekend is dat zij recent zijn ontstaan, geldt daarentegen dikwijls dat de individuele planten sterk geclusterd voorkomen rondom de plaats waar de eerste planten zich gevestigd hebben, terwijl geschikte locaties in de directe omgeving nog niet zijn gekoloniseerd.
In het algemeen geldt dat het van oude populaties aannemelijker is dat het wilde planten betreft dan van populaties die pas recent zijn ontstaan. De mens wordt namelijk steeds mobieler en transporteert daardoor steeds vaker en over steeds grotere afstanden plantmateriaal. Bovendien geldt dat in het verleden vrijwel uitsluitend soorten werden gekweekt die voor de mens toen een bijzondere functie hadden, bijvoorbeeld omdat zij voor medische doeleinden werden gebruikt. Als sierplant werden met name planten met opvallend gekleurde bloemen gekweekt. Tegenwoordig worden echter ook veel minder opvallende soorten als sierplant gekweekt, waaronder grasachtige planten als Hangende zegge (Carex pendula) en Grote veldbies (Luzula sylvatica). Steeds meer soorten worden dus gekweekt en in tuinen en parken aangeplant. Zij worden daardoor ook vaker getransporteerd en verschijnen vervolgens op plaatsen die zij anders niet bereikt zouden hebben. Daar komt nog bij dat zoals eerder gezegd tegenwoordig ook sommige floristen bijzondere inheemse soorten aanplanten of uitzaaien in natuurgebieden. Door de bovenstaande factoren geldt dat er tegenwoordig van bijna elke nieuw gevestigde populatie van een onderzoekssoort redenen zijn om te betwijfelen of het om wilde planten gaat. Daar staat tegenover dat van sinds lang bekende populaties van soorten die vroeger niet als sierplant of voor medische of andere doeleinden gekweekt werden, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het wel wilde planten betreft. Daartussen bevindt zich nog een spectrum van mogelijkheden waar meestal aan de hand van andere gegevens beter valt in te schatten of het wilde planten betreft.


Historische situatie

Voordat de mens ruim 7000 jaar geleden bossen ging omzetten in landbouwgronden, moet ons land grotendeels met bos bedekt geweest zijn. Waar populaties van bosplanten nu sterk zijn geïsoleerd, hebben zij voor de grootschalige ontginning van het oerbos deel uitgemaakt van metapopulaties waarin genetische uitwisseling tussen de afzonderlijke planten veel beter mogelijk was. Sowieso moeten er toen voor aan bossen gebonden soorten veel meer geschikte leefmilieus aanwezig zijn geweest dan tegenwoordig het geval is, om de eenvoudige reden dat er toen veel meer bos aanwezig was.

Nadat in de middeleeuwen vrijwel al het bos ontgonnen was voor de landbouw, bleven maar weinig bossen over die hun oorspronkelijke houtige vegetatie hebben behouden. Zulke bossen werden tot in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw als hakhout geëxploiteerd. Doordat er periodiek hout gekapt werd, was er ook regelmatig sprake van een hoge lichtintensiteit op de bosbodem. Hierdoor waren niet alleen de echte bosplanten in staat om zich te handhaven in het bos, maar ook zoomplanten en andere planten die meer licht nodig hebben. Door overmatige houtkap en te intensieve begrazing door vee was er in veel gevallen eerder sprake van struweelachtige vegetaties dan van een opgaande bossen zoals wij die nu kennen (Buis 1985). Maar niet alleen het intensieve gebruik zorgde ervoor dat de ecologische omstandigheden in de bossen duidelijk anders waren dan in de huidige situatie. Door stikstofdepositie vanuit de lucht is de bodem nu veel voedselrijker dan vroeger, terwijl veel moerasbossen en bronbossen ernstig te lijden hebben van verdroging als gevolg van ontwatering.

Voor bosplanten die geen aanpassingen aan de verbreiding over lange afstand hebben, geldt in het algemeen dat de wilde populaties al zeer lang aanwezig moeten zijn in het gebied waarin zij voorkomen. Ook in het verleden moeten op de groeiplaats of in de directe omgeving daarvan dus geschikte leefmilieus aanwezig geweest zijn in bossen of kleinere landschapselementen met een houtige vegetatie. Om te beoordelen of dit het geval is geweest kan allereerst worden nagegaan of zulke landschapselementen aangegeven staan op oude kaarten als de topografische atlassen van 1837-1844 (Wolters-Noordhoff 1992) en 1894-1926 (Nieuwland 2006). Waar op deze kaarten bos staat aangegeven is de kans groot dat daar altijd een bosachtige vegetatie aanwezig geweest is sinds de laatste ijstijd. In het veld kan vervolgens worden nagegaan of de structuur en soortensamenstelling van de vegetatie aanleiding geeft om te veronderstellen dat ter plaatse altijd een houtige vegetatie aanwezig is geweest. Indien er oude, al dan niet doorgeschoten, stobben, knotbomen en/of spaartelgen aanwezig zijn op een locatie, dan wijst dit erop dat ter plaatse al lange tijd hakhout aanwezig geweest moet zijn. Tenzij het duidelijk om aangeplante monoculturen van boomsoorten gaat, is het dan aannemelijk dat het een locatie betreft die nooit volledig ontbost is geweest. Onder de kruiden zijn verder een aantal soorten die gebruikt worden als indicatoren van zulke oude boslocaties (Peterken 1974; Rackham 1980; Tack et al. 1993; Wulf 1997; Bijlsma 2002). Zeer betrouwbare indicatoren voor oud bos zijn Boszegge (Carex sylvatica), Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium), Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon subsp. galeobdolon), Eenbloemig parelgras (Melica uniflora) en Eenbes (Paris quadrifolia), terwijl van de soortenlijst Hangende zegge (Carex pendula), Slanke zegge (Carex strigosa) en Vogelnestje (Neottia nidus-avis) regelmatig als indicatoren worden genoemd.

Indien de verzamelde gegevens erop wijzen dat op een groeiplaats en in de omgeving niet altijd een houtige vegetatie aanwezig is geweest, dan kan dit een aanwijzing zijn dat het geen wilde populatie betreft. Toch is ook hier voorzichtigheid geboden bij het trekken van conclusies. Allereerst omdat het detailniveau van de oude kaarten onvoldoende is om met zekerheid te kunnen stellen dat ergens geen geschikt leefmilieu aanwezig is geweest. Daarnaast omdat veel onderzoekssoorten ook na verwijdering van de houtige vegetatie nog lange tijd in een gebied aanwezig kunnen blijven, als planten bovengronds of als zaden in de bodem. Waar oud-bosindicatoren in grote aantallen bij elkaar groeien, is het aannemelijk dat ook andere aan bos gebonden soorten zich ter plaatse altijd hebben kunnen handhaven, maar waar slechts een enkele indicatorsoort aanwezig is, kan dit het gevolg zijn van een incidentele verbreiding over lange afstand, al dan niet met hulp van de mens.
Verder zijn er ook gevallen te noemen waarbij er op basis van gegevens over de historische situatie nooit een uitspraak valt te doen over de status van een populatie. Dit geldt allereerst voor soorten die zijn aangepast aan de verbreiding over lange afstand. Zoals gezegd kunnen deze soorten zich recentelijk ergens als wilde plant hebben gevestigd waar zij in het verleden in de wijde omgeving niet voorkwamen. Voor de andere soorten geldt hetzelfde op plaatsen waar zij kunnen zijn aangevoerd door beken en rivieren. Daarnaast zijn er onderzoekssoorten die goed zijn aangepast aan leefmilieus buiten bossen en andere houtige vegetaties. Van Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus) is bijvoorbeeld bekend dat zij vroeger juist vooral voorkwam in extensief gebruikte graslanden, terwijl zij tegenwoordig nagenoeg beperkt is tot bossen. Voor Purperorchis (Orchis purpurea) en Bergnachtorchis (Platanthera montanum) geldt dat zij ook nu nog relatief veel voorkomen in graslanden. Anderzijds geldt voor vrijwel alle onderzoekssoorten dat de algemeen als wild beschouwde populaties nagenoeg of geheel beperkt zijn tot oude boslocaties of de directe omgeving daarvan. Dit wijst erop dat ofschoon de aanwezigheid van oud bos geen absolute zekerheid geeft over de status van een afzonderlijke populatie, dit wel een duidelijke indicatie is dat het om een wilde populatie gaat.


Combinatie van bronnen

Met geen van de bovenstaande informatiebronnen kan met zekerheid worden aangetoont of er sprake is van een wilde populatie. Juist door de bovenstaande bronnen in combinatie te gebruiken wordt meer duidelijk over de status van een populatie. Welke bronnen in de praktijk bruikbaar blijken te zijn verschilt per soort en dikwijls zelfs per populatie. Toch zijn er wel algemene uitspraken te doen over de wijze waarop de verzamelde gegevens in combinaties iets zeggen. Zo zegt de nabije aanwezigheid van oude boslocaties en daarvoor kenmerkende planten met name iets over de status van een populatie bij soorten die geen aanpassingen hebben aan de verbreiding over lange afstand. Bij deze soorten zegt dit weer alleen maar iets als de populatie zich buiten de overstromingsvlakte van beken en rivieren bevindt, tenzij uit het op basis van historische bronnen aannemelijk is dat zich stroomopwaarts nooit wilde populaties hebben bevonden. Verder geldt bijvoorbeeld dat de betrouwbaarheid van allerlei veldgegevens alleen kan worden vastgesteld doordat zij getoetst kunnen worden aan populaties die al zeer lang uit de literatuur bekend zijn en waarvan wel zeker is dat het om wilde planten gaat. In de praktijk blijkt echter dat de bronnen elkaar in veel gevallen bevestigen en dat het wel zeker is of het om een wilde populatie gaat. Van een relatief klein aantal populaties blijft de status daarentegen ook na uitvoerig onderzoek nog onduidelijk.


Vergelijkbaar onderzoek

De hiervoor genoemde informatiebronnen worden ook door Maes et al. (2002, 2006) aangewend om autochtone bomen en struiken te inventariseren. In het algemeen komen zowel de methode als de daaruit voortvloeiende resultaten sterk met elkaar overeen. Een belangrijk verschil is echter dat Maes en zijn collega’s deze methode gebruiken om de natuurlijke verspreiding van inheemse rassen in Nederland op grote schaal vast te leggen, terwijl in dit project een uitspraak wordt gedaan over de natuurlijkheid van afzonderlijke populaties. De in dit onderzoek toegepaste methode heeft als nadeel dat er over sommige populaties alleen maar gespeculeerd kan worden of zij wel of niet wild zijn volgens de gehanteerde omschrijving, maar als voordeel dat informatie op het niveau van afzonderlijke populaties direct kan worden gebruikt door de beheerders van de betreffende natuurterreinen.

Dat informatie over de status van afzonderlijke populaties van belang is bij soorten die veel verwilderen, wordt bijvoorbeeld zeer duidelijk in het geval van Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis). Deze soort kwam in Nederland oorspronkelijk alleen voor in het zuidoosten van Zuid-Limburg (P. Heukels in Mennema et al. 1985), terwijl zij tegenwoordig op veel plaatsen verwilderd voorkomt en daardoor niet meer vermeld staat op de landelijke rode lijst (Van der Meijden et al. 2000). De oorspronkelijke, wilde populaties zijn daarentegen ernstig bedreigd, terwijl dit zelfs bij weinig botanici nog maar bekend is. Een betere bescherming van deze populaties is dringend gewenst, omdat zij een hoge natuurhistorische waarde vertegenwoordigen en het de enige populaties zijn waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat het inheems genenmateriaal betreft. Om die reden is het zeer begrijpelijk dat deze soort wel op de regionale rode lijst van het Heuvelland is geplaatst (Cortenraad & Mulder 1989, 1998). Dit is echter alleen zinvol als bekend is waar nog wilde populaties aanwezig zijn.

Terug naar Werkwijze populatieonderzoek / naar Startpagina Bosflora.nl